photo.jpg

Klik op "Nakijken" om je antwoorden te laten controleren.
Als een antwoord goed is, wordt het vet afgedrukt.
Vul de ontbrekende voornaamwoorden in.
Fout: voorzetsel + die/dat (de man met die ik praat)
Goed: waar + voorzetsel (de man waarmee ik praat)

zie Omaima naast man zitten.

Het boek (uit dat) Rama woorden leert, ligt naast .

heb jullie verteld hoe moeten invullen.

De fiets (op dat) Raneem leert fietsen, is zwart.

zijn de woorden, vandaag op het bord hebben gezien.

is de deur (door dat) binnen komen.

is de stift (met dat) Harry op het bord schrijft.

maakt graag zinnen moeilijk vinden.

(Van dat) leren veel.

Het dictee (met dat) de les eindigt, vinden makkelijk.

Iedereen heeft in boek de plaatjes gezien boven de woorden staan.

Het boek (in dat) Moamar kijkt, is van .

De stoelen (op dat) Ahmad en Sabia zitten, hebben bij de tafel gezet.

De hond daar loopt, is niet van .

Berivan pakt boek, Vera van geleend had.

Kheri pakt pen, Bakkar van geleend had.

pak blaadje, aan allemaal had laten zien.

pak stift, (met dat) mooie zinnen op het bord heb geschreven.